Onderzoek
UMCG-onderzoek TRAILS: gendertwijfel bij jongeren is meestal geen blijvende identiteit maar een fase
26 september 2026
Een Nederlandse langetermijnstudie onder ruim 2.700 jongeren laat zien dat de wens om een ander geslacht te zijn op je elfde vaak voorkomt, maar op je vijfentwintigste bij bijna niemand meer bestaat. Wat betekent dat voor de aanname achter het Dutch Protocol dat vroege genderidentiteit stabiel is?

Ruim één op de tien elfjarigen in het Nederlandse TRAILS-cohort gaf aan wel eens de wens te hebben gehad om een ander geslacht te zijn. Op hun vijfentwintigste was dat nog maar vier procent, en slechts 0,1 procent van alle deelnemers rapporteerde die wens op elk meetmoment tussen elf en vijfentwintig jaar. Dat is de kern van een onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen en het UMCG, gepubliceerd in Archives of Sexual Behavior (2024), onder leiding van onderzoeker Sarah Burke.
Wat de onderzoekers precies deden
TRAILS is een lopend Nederlands cohortonderzoek dat sinds 2001 dezelfde groep jongeren volgt, met herhaalde metingen op de leeftijden 11, 13, 16, 19, 22 en 25 jaar. Ruim 2.700 deelnemers kregen bij elke meting de stelling voorgelegd "Ik wil van geslacht veranderen" of een vergelijkbare formulering, en gaven aan in hoeverre die op hen van toepassing was. Bij negentien procent van de deelnemers nam zo'n wens of twijfel in die veertien jaar af, bij twee procent nam die toe. Bij de meesten verdween de twijfel weer met het ouder worden, precies in de periode waarin puberteit en identiteitsvorming plaatsvinden.
Waarom dit raakt aan de kernaanname van het Dutch Protocol
Het Dutch Protocol veronderstelt dat een zorgvuldige diagnostische fase vroege, aanhoudende genderidentiteit kan onderscheiden van voorbijgaande twijfel, en dat wie eenmaal is toegelaten tot de behandeling een stabiele identiteit heeft die niet meer verandert. De TRAILS-cijfers zetten daar vraagtekens bij: als ruim een vijfde van een doorsnee jeugdgroep ooit zulke gevoelens rapporteert en die bij de meesten weer verdwijnen, dan is de aanname dat vroege gendertwijfel een betrouwbare voorspeller is voor een levenslange transgender-identiteit wankel. Dat sluit aan bij de kritiek die eerder al naar voren kwam in de analyse van het twintig jaar durende VUmc-cohort, waar juist de lange termijn en detransitie nauwelijks in beeld kwamen.
Wat de studie niet zegt
De onderzoekers deden geen uitspraak over kinderen met een klinische diagnose genderdysforie die al bij een genderteam in behandeling zijn — TRAILS volgt een algemene steekproef jongeren, geen kliniekpopulatie. De auteurs benadrukken bovendien dat jongeren met aanhoudende gendertwijfel vaker psychische klachten en een negatiever zelfbeeld rapporteerden, wat het belang van passende begeleiding onderstreept. Dat is de bevinding van de onderzoekers zelf; de conclusie dat dit de wankele evidentiebasis onder vroege medicalisering blootlegt, is onze duiding, gebaseerd op hoe dat zich verhoudt tot dertig jaar Dutch Protocol-onderzoek dat tot op heden geen betrouwbaar bewijs oplevert voor de aanname dat vroege interventie de uitkomst verbetert.
Een patroon dat vaker opduikt
De TRAILS-bevindingen staan niet op zichzelf. Ook internationaal wordt de aanname dat een hoog persistentiecijfer bewijs is voor een stabiele, aangeboren genderidentiteit steeds vaker bekritiseerd op methodologische gronden — bijvoorbeeld in de manier waarop uitval uit vervolgonderzoek wordt geïnterpreteerd. Een vergelijkbaar mankement in een veelgeciteerd Canadees persistentiecijfer van 97,1 procent wordt uitgeplozen op genderrisico.nl, in een analyse van wat dat cijfer wel en niet meet.
Wat dit betekent voor ouders en clinici
Voor ouders van een kind dat op jonge leeftijd gendertwijfel uit, bevestigen deze cijfers dat afwachten en begeleiden geen nalatigheid is, maar aansluit bij wat de meerderheid van de jongeren feitelijk doormaakt: een fase die met de jaren verdwijnt. Voor clinici onderstreept het onderzoek waarom informed consent over de onzekere voorspelbaarheid van vroege gendertwijfel geen bijzaak is, maar de kern van zorgvuldige diagnostiek.
Bronnen
- UMCG / Rijksuniversiteit Groningen, "Twijfels over gender bij jongeren zijn vaak op latere leeftijd weg" — nieuws.umcg.nl
- Burke, S.M. e.a., onderzoek op basis van de TRAILS-cohortstudie, gepubliceerd in Archives of Sexual Behavior (2024), zoals samengevat door het UMCG (zie link hierboven)

Nienke Vogelaar
Redactie
Veelgestelde vragen
Meer artikelen
Hoeveel jongeren krijgen bij het gendercentrum de diagnose genderdysforie? De cijfers van zestien jaar Amsterdam
Krijgt een kind op de genderpoli altijd de diagnose? Nee, maar wel in de grote meerderheid van de gevallen. Van 1072 jongeren die tussen 2000 en 2016 naar het Amsterdamse centrum werden verwezen, kreeg gemiddeld 84,6 procent de diagnose genderdysforie. Bij 5,3 procent werd die niet gesteld.
Amsterdamse onderzoekers: begrip hoeft niet vooraf te gaan aan gendertransitiezorg
Annelou de Vries en collega's van Amsterdam UMC herdefiniëren informed consent: begrip van de behandeling is volgens hen geen voorwaarde vooraf, maar een gevolg van de behandeling zelf.
Vanuit de huiskamer: hoe de vroege Nederlandse transgenderzorg zijn wetenschappelijke fundament miste
Een essay van Genspect-onderzoeker Mia Hughes zet vraagtekens bij de ontstaansgeschiedenis van het Dutch Protocol: een endocrinoloog die vanaf 1968 vanuit huis hormonen voorschreef en een commissiebesluit uit 1976 dat nooit is herzien.